99
uitgegutst. Zijn leeslust kwam opnieuw in hevige warrelkracht op, al kon hij niet anders dan Hollandsche boeken bemachtigen, omdat hij alleen Hollandsch las. Weer wou Manus gelijk toén, alles van het leven zelf ondervinden, doch geheel in zijn eigen koppigen trant.
Maar dan moest hij eerst het knaagdier, dat zijn geweten Zat op te peuzelen, heel diep in zijn binnenste, onverschrokken te woord staan. Dan moest hij eerst uit de omgeving van den Jordaan weg, uit de omgeving van Corry weg en zich van de heele wereld afzonderen. Op zijn kleene, vale krotje kon hij alles in stilte overpeinzen en él de heete woelingen binnen in zijn ziel, klaar onderscheiden. Daar kon hij heel het uitzonderlijke van zijn verlangens inzien en de begeerte afsnijden tot bij de hartader. Wég moest weer alles uit hem, wat Manus zoo vreemd de laatste jaren beklemde, ontroerde en verontrustte.
— Eerst inkeeren tot jezelf... dieper en dieper en ge-nadeloozer ... voor jezelf. Een beletterde kerel bin je tóch nie ... en wèg met oudebesjes-geleuter!... mompelde hij telkens.
Maar weer zoeken het ijle geluk in het mijmeren en in de rust die alleen van het diépste binnen uit kon opgeroepen.
— Vloot op stroom, Manus ... fort!... zoo commandeerde hij zichzelf.
II
De oude Wederdooper in het opstandige bloed. — Manus Peet ontmoet op het Jaagpad Thomas è Kempis. — De lichte schaduw van het ״Gulden Boehske" valt over zijn zoldertje. — De avondlamp van een monnik brandt in de stilte. — R. I. P. —
Daarom zat Peet nu hier op het Jaagpad, tegenover het rui-schend-stille kerkhofje met zijn narcotiseerenden herfstgeur