98
reeder zou worden, om 't even, als hij maar voer op den einde loozen oceaan! Nooit had hij genoeg van de dobberschuitjes, de witte sloepen, de smeuïge dukdalven en de helroode drijf-tonnen. Nooit genoeg van de heele zeevaardij en al de vreemde specerij geuren die aanwoeien van de werven, de pakhuizen en uit de kronebalken der afgesloten loodsen. Zijn niet-wijkend mijmerspel van droomen en wondersprookjes ging er rond en zijn peinzend geluk om grootmoedige roovers en avonturiers, princessen en minzieke helden, bleef ongestoord, alweer tot de avond begon te wasemen als een vochtige aquariumruit. Dan werd hij heel bevreesd voor het gelige geraamte van ophaalbruggen, die in den gouden schemer, met de droeve geheimenis van eenzame schavotten, zich wonderlijk-vergroot oprichtten tegen den ontstelden avondhemel. Andere dagen echter weer, trok hij van havens en dokken heel de licht- en schaduwstoet verbeeldingen méé naar de Haarlemmerpoort of naar de Eilanden.
Zelfs als hij mocht meetrommelen op de Koopmansbeurs in September, oversprongen zijn droomen hem tusschen het duivelig geraas van schreeuwende knapen, die als verwilderde muitertjes met hun stokkengeroffel onder het zuilengewelf, het gebouw leken stuk te brokkelen. Doch Manus' zoetste en verteederdste sluiptocht was toén al, als eigenwij,׳ maatje van elf, zijn eenzame gang naar het Karthuizer-kerkhol dat, nabij de Blindemansteeg in aanbouw, grauwde tusschen het woedende gewoel der donkere Jordaan-straten. Daarvoor verlei Manusje al het genot van kaatsen, tollen en hoepelen; daarvoor verloochende hij heel de nieuwe vriendschap met sluiswachters of straatvedelaars die hij aan tabakspruimpjes hielp. Zelfs de angstige vreugd bij hardrijerij en schaatsengerij liet hij zich voor een dwaaltocht-op het Karthuizer-kerkhofje tegen Allerheiligen, ontglippen.
Deze stil-zwijmelende jeugd-gelukzaligheid was nu, door zijn liefde voor Corry, weer in warmen levensdrang over Peet