in verrotting tezaam ontbonden... zij weegt ze op handen en wéét
wat in 't duister geschiedt. — Dat geheime gemompel van woorden... ze bekruipen mijn angstige hart.
En toch,... tóch wil ik zien! — Arner {somber.)
Het venijn van haar woord brandt op onze lippen voort. — Saül.
Onmanmoedig als een slaaf gij spreekt,
't hart van weeke leem...
Een tongbeet zou uw angsten stommen.
Abner (vurig.) Uw zieledrift ook óns begeestert! Maar in dit zondige hol, mijn moed verkwijnt. AMASSA (die knikkend instemde met Abner.) Voel het duister mijn vorst... te tasten om 't lijf.
SAUL (weer schuw starend.)
Dat kijken... dat kijken der dingen...
Abner.
Hier ruischt het rouwgewaad in 't donker; de doode stapt hier van de baar.
Saül (in huiverende angstigheid gedempt.) Zwijg stil I... De wind is aan het murm'len als klaagvrouw in een sterfhuis. Het is al dreigende geheimenis. —
ABNER (somber.) Ik vrees
ontvleeschde handen...