93
Amassa.
Er is niets.
Abner.
Bedenk ook heer, dat men ü hooren kan.
Saul (bewogen.)
't Is waar;... maar zoo ik jammer, om héél dit vreeselyk gebeur, vergeef het my. De dapperste Hebreeuw aan d'overkant... mijn zegeteek'nen bleeken. Het oude zaaisel nti het nieuwe achterna geworpen... Hun Goliath sloeg hij neer, vermetel. Hun afgoden bespotte en hoonde hij en nti ... zijn bent bij dit gevloekte heir stil ingelijfd. — Hoe durf ik nog
den geest van Samuel te roepen "i... (pauze, dan Waar blijft de vrouw? onrustig.)
Abner.
Ze wil niet eerder hier zijn, Wordt gij betrapt, dan moet het wezen, of wij hier
binnendrongen. —
saul (kijkt verbaasd rond.) Die kroezen en afgrijselijke moms, met booze oogen 41 dees' dingen staren ons aan.
Abner (somber.)
Wie er spelt, uit geschrei, is den dood nabij.
Saul.
Wat de vogelen eten en zingen,
zij voorzegt er ons ménschelijk lot uit.
Eén doodsbeen op 't ander gekneld,
Saul en David. 7