Saul.
Zyt gij beangst mijn dapp're?
Abner.
Den koensten kamper, ik treed hem vreesloos toe ... Maar schimmen en onzicht'bre spraak, is doodzonde,
myn vorst! —
Saul.
Uw stemme klaagt als van loeiend vee, vóór dreigend noodweer. Gü zoudt mij wank'len doen. — Ben ik, de zwakke, nu de sterke? Ik, afgematte en ópgejaagde, die zuchtend mijne uren tel, door machtloosheid en angst eerst gansch gebroken?... Een trekdier wel gelijk, zoo zwaar belaan, dat het inéénen zinkt eer werd volbracht zijn eindelooze tocht. — Ik, uitgehongerde door wrok en wispelturigheid, greep plóts met afgetobde hoofd een moedige gedacht'. — Moet ik mij die nu weer ontworsteld zien door mijne vrienden? Het ópgetooide rund, de hoorenen omkransd, kon trotscher niet den weg bestappen, dan ik het deed, vermomd naar hier, in 't holste van den nacht, langs duistre kloof en pad. — Waar zamelde ik de kracht?!...
(hevig.)
ik,... laf gebrokene, in eeuwige vermoeinis neergezonken, te gaan tot deze woon? Ik, die mijn op- en neergaande borst bezie, mijn ademhaal in angstig spieden volg? Ik, die mijn pijn en kwalen, als trage en vadsige gezellen om mij henen houd en met de krachten van mijn lichaam voed, ze zoet beslurpen laat mijn bloed ? — (met stijgende
kracht, tóch innerlijk.)