't Is alles laster, niets dan laster!
Men spiegelt Davids daden op den kop. —
Wie zegt van vlas-spinnende vrouw,
dat zj voor stroppen haar getouwen vlecht?
Men moordt geen vogel die op ei'ren broedt!
't Is alles laster-drang van een gemoed,
ontstoken van venijn en haat. Ik, ik alléén verjoeg hem van den grond, uit gouden morgen-mist, dien hij bezong. Ik, ik alléén joeg hem naar tent en dak der onbesnedenen; ik dreef hem naar zijn felsten vijand toe. Op mijn bevel werd hem de veiligheid geroofd.
Maar gij deedt méé, gij allen! — O, waar' de laster toch onvruchtbaar als het muildier... de wroeging zou mij nü
haar klam omhelzen sparen. — Nog klaagt de stem van Jonathan mij toe: ,,Maar vader, moet ik nu morgen tegen David vechten, den flersten held van Israël? Moet ik zijn tenten schril bejagen met strüd-gerucht, bazuin-geklank ? Of zal hij van mijn paard de pezen snijden, met 't dronken bloed der Filistijnen bespatten mijn gelaat? Hoe kan ik man voor man verminken met ontblooten arm, als ik in ieder schild-bedekten krijger, mijn broéder meen te treffen" ?... Een gramschap steeg er in mij op,
toen ik mijn Jonathan zóó hoorde. — Verdedigt hij zijns vaders oproerling? Maar nü krimp ik voor zulk een klacht.
Abner.
Tóch, heer en koning... , Saul.
Stil!... noem mij hier zoo niet! Ik hoor de vrouw.
Amassa luistert aan de deur in 't front, maakt een gebaar van niets te hooren.