God-vreezenden; en toch... zjj stikken niet
in hunnen aam. — De slechte zelfs telt soms
zijn dagen langer dan de wijze. —
Zóó hen ik zat van jaren. En toch mijn
mannen, toch, wil 'k niet sterven; toch,
in dit warr'lend angstig leven wil ik
bestaan met al mijn droefnis en mijn zonden, (pauze.
Ik durfde Jonathan niet reppen van
mijn daad,... geen sterveling. —
Daarom vermomde ik mij, lei alle ciers'len
af, en vroeg ü vóór te gaan. —
Weet wel, mijn krijgers, dat David's macht
bij Filistijn staat opgesteld. Hij vecht nu
tegen eigen bloed en volk. —
Zooals de schurft voortvreet door de huid,
het vleesch doet zwellen, 't bloed tot
scherpte zuurt en 't aangezicht verminkt...
zóó smaad'lijk schendt dees' daad
gansch Israël's gelaat. Een grauwe dag van smart méér in mijn leven. Ik vroeg om raad en bijstand met d'Ephod, d'TJrim, de Godspraak en door droomen ...
de stilte om mij werd nóg stiller. — God zwijgt, verstomd in al zijn teek'nen. Nu zijn mijn angsten ingewiegd door zelf-bedrieg'lijke en sussende gedachten; maar met de hoogere ziele-drift, waag ik God's geest niet meer te naad'ren. — Achimélech liet ik moorden,
door Doeëg opgehitst...
Abner (onderbrekend.) Doeëg verhaalt dat hij het bloed van stamgenooten..
Saul.
Omstook mij niet met uwe heete woorden! Ik ben er door gesleept naar booze drift. Een kerven in het vleesch van mijnen wrok, een willig pijn'gen van mijn droefenis ...