Abner (ontsteld.)
Een geest-bezwering?
Saul (beschaamd.)
Het onbedrieglijkste.
Amassa.
Maar doodzonde, mijn vorst!
Saul.
Ik weet het mannen, maar wek toch mijn gedoofde ziel niet op met waakschheid uwer klare zinnen. — De teerkost van mijn gemoed is nu... besluiering van eigen blik, bedwelming ook van and'rer oordeel. —
(met droefheid.) Heb deernis met uw vorst; oud ben ik en gebroken, door zèlf-geschapen ramp. Het leven is mij nü... verzadiging. — Een menschenhart, zóó door verdriet en wrevel uitgescheurd, ligt voor den dood te reut'len. De laatste karavaan op zijnen levenstocht, is van illusies uitgemoord,
en door de wanhoop afgeplunderd. — Voor zulk een mensch, zijn gaan en staan, zijn rusten en zijn werken,... het is om niet gedaan. — Zijn ooren zijn met aard gevuld, zijn oogen volgesmakt met drek. Hij is doof en blind, en strompelt door zijn land en niemand hoort hem meer. — God's waat'ren blijven bruisend d'aard omspoelen en Hij troont roereloos in 't hoogst der hemelen en laat het uit zijn onder-sfeeren sneeuwen, reeg'nen, haag'len op een blind gelaat. — O mannen, luister. Wij zijn nietswaardigen, die om elkander henedolen en tasten bij het licht, terwijl Hij ziet in ondoordringbaarst duister; — de boozen en de dwazen, zij rooven bei de lucht van vromen en