saul (schrikkend,) Stil!.. . noem hier mij toch geen vorst. Bedek uw gelaat, Amassa.
Amassa (het gezicht bedekt.)
't Is zwart mijn heer,
als buiten 't stikkeduister. —
Saul (die naar het venster is getreden en er doorheen kijkt. Ze spreekt met gedempt-beangste stem.) De maan jaagt door de wolken alsof ze vlucht!
Wat dreigende geheimenis in zulk een lucht van storm en vale glazen. Amassa, neen, de macht is niet zóó zwart als üw gelaat. De klagelijke wind behuilt de stilte. Ik sidder mannen,
voor dit wich'laarshol. —
Amassa (toeschietend.) Mijn vorst, bezin u
en keer wéér.
Abner (nader tredend.) Ook óns dit helsche oord benauwt Saul.
Zwijg mannen, wat 'k u bid. — Drijf mijn beangste zinnen niet met méér huiver nog den waanzin in. Een oord, waar afgestorv'nen schuw verschijnen, de doode stem de lévende doortrilt... het vlijmt me door het merg! De wroeging dezer daad splijt mijne ziel en knoopt het brein tot één verwarring saam. — Wèl ben ik diep gezonken... te azen op orakeltaal van eene tooveres, een wichelaarster! Den geest te doen bewalmen en verstuiken