VIERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Te Endor bij duisteren nacht, in de geheimzinnige, afgelegen kluis van een wichelaarster. In het front van het hol, een kleine, gehavende deur. Op zij links, een geheime uitgang. Op zij rechts, een hoog, smal venster. In een cirkel, voorgronds, smeltkroezen, comforen, slangenhuiden. Aan den wand vreemde beeltenissen. De tooveres is op, met een heidensch meisje, een soort van adept.
Wichelaarstee (een zonderling vaalgroen licht schijnt op uit den grond.)
Is 't sprenkel-vocht gemengd?
Meisje.
Ik ving het bloed van altaar heimelijk
Wichelaarster
't Is goed.
Zoodra de mannen komen ...
Meisje (onderbrekend.)
Vreest u geen overval, mijn tooveres?
Wichelaarster (het meisje lang bekijkend.)
Hoe broeit uw dwaze breintje
zulke angsten 's nachts ? (weer haar scherp aankijkend.) Toch zal de wichelaarster op haar hoede zijn.