85
kwijnen in hun holt en d'ingerimpelde smart in groeven er rond uitgeteekend ... nti slaat een schreiend meelij in mij óp, gedenk ik al de liefde-taal, mij toegeworpen, toen ik zijn knecht nog was en harpenaar. — (naar
de mannen.) Gü weet, mijn dapp're mannen, ik vrees geen menschelijk wezen. Maar een Gezalfde des Heeren roer ik niet aan! (Stilte. David
loopt heen en weer.) Snijdt mij een slip van zijnen mantel, die ik hem toonen zal, als hij
vertrokken is van hier. 'k Zal hem zeggen, dat zijne ziel was in de hand van David, d'oproerling, dien hij zijn leven lang bejagen wil. Maar dat ik toch geen haar
van zjjnen kruin wou schenden! Gehoorzaam mü, mijn mannen! Zoo aanstonds leerde mij, de groote Ziener Samuel... Wéét van geen wank'len! Al wat gij doet...
de vastheid God's zij in uw daad. (Een krijger snijdt een slip van Saul's mantel. Alle vertrekken daarna door de grot-opening.) (Nu David, alleen, als in zichzelf verzonken.) Mijn jonathan, mijn Jonathan, gij hebt uw vader lief! Ik spaar hem ook voor ü. — Uw edelst vriendenhart
mag mij nu richten. — (buigt hei hoofd.)
Doek.