Eljab (zacht.)
Gij zjt 't zwaarst door hem gekrenkt. Uw recht het hóógste lijkt. — Toch zij 't gezegd: een held die zijnen vijand redt uit wraakhand van getarten, blijft ongenakelijk
voor ons begrip.
Een krijger.
Voor David's wil wij bukken, al is dees' eed'le ingetogenheid van daad, zoo wrang en zoet gelijk, licht roek'loozer dan ónze krijgersdrift. David knikt ontroerd, bukt zich over Saul; heft zich dan op en gaat aan den ingang der spelonk staan.
David (zeer zacht en aangedaan.) Ik, zoon van Juda, ik zou een
konings-moord'naar worden ?... (hij keert zich half
naar den slapenden Saul.) Saul, onbekend met dit verborgen hol, zijt gij hier ingedwaald in 't stikkeduister
en slaapt een slaap des doods. — Hadt ooit gij nu vermoed, dat uw gevloekte harp'naar David, zóó vlak nabij uw aam
zou staan?
Almachtig Eeuwig God, Gij hebt den terger
(hartstochtiger.) van mijn rust, den man die scheurde mijne ziel, mij sloeg met rauwe smart en wonden, den man die mij in brandendst leed begroef,.... ... Almachtig God, Gij hebt mij
dezen man in hand gegeven. — Mijn hart sloeg als behamerd blok toen ik het hoorde, 'k Greep mijn zwaard en wette 't scherp langs d'ontkrampte palm. — Maar nu mijn dapp're mannen, zijn slapend wit gelaat met fakkelgloed bedompelen, en ik de droeve oogen zie