83
Een krijger. Laat ik de speer hem drijven door 't bewustelooze lijf; aan d'aard hem nagelen, dien boozen gek! Woordvoerders en krijgers dringen met speer op Saul dreigend aan.
David (zijn zwaard trekkend, terwijl de bende ontstelt ach teruitwijkt.) Achteruit!... 'k Beveel 't u ... uw Hoofd! Uw haat breekt los als tuimelende wervelwind in 't bosch. (zachter.) Vergeef mij Eliab en Samma, dapp're broeders; ook gij, mijn koene krijgers. Temt toch uw driften en bezint, (innerlijk zeer be׳ Erkent; wie sloeg dees' man de wonden [wogen.) brandender dan mij? Wie roofde hij wraakgier'ger 't geluk der jonge ziel? Uw leed, mijn Abjathar, bleef ongepeild, toen hij uw vader moorden liet. Maar ook mijn smart. Stond hij met moord-gedreig en overval niet ieder uur mij naar het leven? Scheurde hij niet Jonathan van mijne zij? Schonk hij niet weg mijn teed're vrouw, ontstal hij niet mijn
kind'ren, huis en erf? En sloeg hij niet met smaad, kwaadwillig 't grijze hoofd mijns vaders? En liet hij d'oude oogen van mijn moeder niet schreien tot haar laatsten snik? Tóch zeg ik u.... roer uwen vorst niet aan. Ik smeek het u, na innerlijk beraad. —
Abjathar. De wraak is wilder steigerend, dan een dol-geworden paard. Toch temt een zachte hand soms wonderlijk, en brengt een vreemden huiver van
ontroeren aan. —