82
Een krijger.
Indien gij weigert, heer, zoo laat uw knecht hem dan verslaan. Abjathar (dringender.) Gedenk de bloedwraak van onzen stam!
David (wild.)
Houd op!... Zwijg stil!... Uw opgewonden stem knarst in mijn brein, stookt waanzin-drift er aan. Neen!... neen! laat af zeg 'k u! Koer een Gezalfde des Heeren niet! Vele krijgers, de fakkels de handen ingeklemd, dringen onstuimiglijk opeen, naar voren en kijken dreigend naar David.
Abjathar (trotsch.)
Onze hoofdman zijt gij wél; tóch, op dit uur, uw wil zal niet alleenlijk heerschen. Ik ben geen schucht're hagedis, geschrikt door wild gebaar en dreigende menschen-stem! De bloedige geweld'naar Saul heeft velen onzer rauwelijk geslagen!
Eliab (ontroerd.)
Uw oogen, broeder, vochtig nu
van meegevoel, ze glanzen vreemd
in 't flakk'rende flambouwen-licht, (zich vermannend.)
Vergeet gij dan...
Saul joeg uw vader, Isay, uit...
Samma (grimmig.) en krenkte uwe, ook ónze moeder!
Abjathar. Verderf hem David, den schijnheilige! Uw trouw verdient hij niet. —