81
david (nog hevig ontroerd.) Licht bij mij mannen 1 Ze gaan naar de plaats waar Saul slaapt, met toortsen vóór David uit.
Abjathar (zeer bewogen, maar bedwongen.)
De zoon van den gemoorden Achimélech, d'opperpriester van Nob, mijn eed'le vader, staat vóór n David en wijst u Saul. — God gaf u heden den koning in uw hand. Een worgengel omknelt zijn hals.
Zijn aam is één benauwenis.
Samma.
Dóód hem David! Dat hij nu veer noch pluim meer roere. —
Een krijger. Verlos u van zfn slavernij.
Eliab.
Van zijn vervolgingen.
Abinadab. De Heer schenkt u zijn ziel. Boei uit, dees' vreeselijken man! David staat in hevige ontroering, het zwaard halt getrokken.
ABJATHAR (die den tweestrijd van David ziet.)
Gij aarzelt hem te dooden ... deez' gansch bezoedelde ziel? Hem, die het zwaard over tachtig priesterhalzen genadeloos
liet zwaaien? Gedenk de bloedwraak van ons volk, David!