80
Een ander krijger (gebukt over Saul.)
Wat smartelijk gelaat... verwrongen en verbleekt. Zijn borst blaast
als een balg. —
VIJFDE TOONEEL.
David komt op, zonder helm, alléén zijn zwaard aan den gordel. Hij blijft van de krijgers-groep verwijderd staan. —
David.
Gij liet mij roepen Abjathar?
Abjathar.
Een man is bier, bij late wake ingedwaald.
David.
Een spieder Saul's?
Abinadab.
Neen overste. David.
Een herder dan?
Abjathar (beteekenisvol.)
Geweest...
maar nü een koning.
David (ontzet, springt op.) Saul? ... Saul? ... Hij hier? ... Een vreeselijke ontroering overtrekt David's gezicht. Abjathar.
Hij ligt in zwaren slaap gezwachteld. Uw wacht heeft alles afgeluisterd, toen hü hier binnen-doolde,
ten doode uitgeput. —