78
Mijn voeten branden. Ik word gesluierd in een dronken slaap... Ik ben gebroken... Geef hier!... ik stik!.., de kruik I... De wapendrager laat hem drinken. Saul slurpt, maar kan zich nauw staande houden. Hij valt machteloos tegen den spelonkwand op 't steengestoelte. —
Wapendragee (eerbiedig buigend.)
Gebieder, wij zijn afgedwaald. Ik weet niet in dit schrik'lijk oord, waarheen mü toch te wenden.
Saul (nog wezenloozer sprekend.)
Wat ? ... ga!... ik ... ik... beveel
Wapendrager.
Ik ga, mijn vorst.
Saul (met haperender stem.)
Dat men mij... hale!... Ik kan niet meer ... terug. Mijn voeten ... gloeien af... Ik val... bewusteloos ... aul valt tegen den rotsstoel op.
Wapendrager (beangst).
Wilt u nog drinken, vorst? De heete wind, de zon
heeft u gefolterd.
Saul (afwerend.)
Neen ... neen ,..
mijn... kren ... kende ... achter ... docht... Alweer... ik... vreesde ... dat men hém ... ontzien ... zou... dien ... oproerling ... dien ... trouwe ... loozen ... Da .. . vid ... Ik wou... ik... wou ... alléén hem zoeken ... Maar hier... is alles ... uit... gestorven ... is alles zwart... één ... vale ... akeligheid ... Zeg ... dat ik hier ben ... in ... de grot...