77
David (ingehouden, droom'rig.) O, deze vrouw,
mijn Abjathar... Zij rooft mij
Micbal's heugenis. Bond haar schoon gezicht zii spant een toovery van licht...
Abjathar. Zoo vurig is haar woord,
zoo smachtend ...
David (hevig.) Stil Abjathar,...
mijn zinnen branden van huiverende lusten af! Blaas niet in den gloed! Zeg haar ... ik kom! —
Abjathar eerbiedig af.
David (naar achter turend.) G-eheime wacht ?!... Een krijger springt geluidloos vóór.
David (streng.)
Doof toorts en blijf ■ ■ • Ik kom dra weer. — De wachter dooft de toorts en sluipt weg in't donker
van de grot.
DERDE TOONEEL.
Van het kronkelend bergpad komt Saul uit de avond-duisternis, met een schild-drager, die een toorts en Saul's zwaard in de handen heeft. Om zijn schouder een tasch aan een riem. Saul, zeer verouderd, loopt strompelend en doodelijk vermoeid naar beneden. David's wachter springt snel nog dieper weg. —
Saul (spreekt tot den wapendrager met geheel uitgeputte stem.) Zoo eigenzinnig uw vorst toch is. Waar zijn wij afgedwaald? Ik ben als dood!
Saul en David. b