76
Samuel zegent hem. De mannen uit de grot dringen onstuimiglijk naar vóór, vallen op de knie met gebogen hoofd. Samuel zegent ze met een breed gebaar.
samuel (rustig maar plechtig.)
Dat God u alle hoede. —
David.
De laatste nachtwaak viel; mijn krijgers staan gereed. Laat hen het pad u toch belichten! Allen af, behalve David, die peinzend voor zich uit blijft staren, terwijl een krijger in een rotswand-holte, neven zijn gelaat een fakkel plant.
TWEEDE TOONEEL.
Uit de duisternis komt Abjathar op.
abjathar (eerbiedig tot David.)
Ik waag het u te storen ... Uw zangster vraagt naar haren heer. .
david (die opschrikt bij Abja-thar's stem.)
Ontwaakte Abichaèl? Abjathar. Ontwaakt is zij, 't oog doorschitterd van een droomen-roes. — Zij wilde haastiglijk hierheen...
Zij droomde van een kroon...
david (ontzet en plechtig.) Stil Abjathar... doof niet den heil'gen klank van Samuel's stem in mij, den innerlijken nazang van zijn wijsheid. —
Abjathar. Zoo schoon is Abichaël nu... omschenen van een profetie I.. .