wees als de rots, het stom gesteent'! Wil nooit bóven het Gods-besluit, goed en weekhartig zijn. — 't Is ijd'le waan en zelf-gestreel der zinnen. —
David.
In spraak'loosheid uw streng en al-geweldig woord, dat teederst' overgave is aan 't hoogere,...
ga ik beseffen.
Samuel.
Verheerlijk niet in mij een menschelijke kracht, slechts bleeke schaduw van God's macht! Ging 'k schreien bij een offerbrengst, van eigen kind, 't zou wezen, wijl ik Zijn hoogste Al-inzicht niet grondelijk begreep en niet blijmoedig Hém het liefste leven mijner oogen gaf. — 'k Zou schreien om den zachten naklop van 't bange menschenhart, dat God's stem
angstiglijk miskende. — (pauze.) (Samuel en David rijzen overeind.) Maar nu, Mijn David, 'k ga vertrekken. Een diep genot is mij 't naclit'lijk reizen. De hette daags, ontga ik
in den slaap. Ik dank den Eeuw'ge, onzen Heer, dat ik nog ééns in uwe ballingschap,
u bijstond met Zy'n Woord. — Wees nederig, blijf sober, waar en rein van oog. Het allerstrengst voor
eigen zélf. — Gedenk mij in 't gebed, gelijk ik u. — (hij omhelst
David.)
David (op de knieën vallend.)
Uw zegen vader; uw zegen, eed'le Meester. —