niet ziet dan door toevallige weerglanzing, zoo kan hij nimmer ook zijn geest'lijk wezen anders dan in weerschijn speuren, — Schrik niet van God's veelvormigheid!
Zóó, in onaangemeld geschenk,
ontbloeide nu mijn droomgezicht.
Buig David, voor den Heer.
Als God's geest spreekt...
voel u een zandkorrel gelijk.
Nu zult gij koning worden... ik spel het u.
Maar spiégel u aan Saul!
Ons menschelijk gepraal, al fonkelt gij
het óp tot vorsten-glorie, is niets,
is niéts naast Almacht's heerlijkheid. —
Gij David,... gij altijd, hebt in uw borst
Een diepen ootmoed God's bewaard.
Met 't vrome woord uw lip is niet bestreken.
In uwe eigen ziel is zang voor 't Opperweez'.
Blijf zoo. — Wéét van geen wank'len!
Al wat gij doet... de vastheid God's
zü in uw daad. — Als Hij iets in uw binnenste beveelt. .. gehoorzaam. Breng nooit den twijfel in uw bloed, als Saul in 't bederf
van boozen argwaan.
David.
Ik heb mij God tot schild gekozen. Nu ben ik uit de donkerte der angsten zoet geheven, blijmoedig en met klarende gedacht'. — Maar zal ik ooit üw streng-gesloten kracht beërven en daarmée één, uw liefd' en teederheid?
Samuel.
God is d'Alwijze. — Al wat er wreed en streng lijkt, is 't alléén in menschelijk besef. Zoo d'innerlijke stem u tot gestrengheid maant,