O heil'ge Ziener, uw droomgezicht
wordt mij een goddelijk geloof! — De duisternis valt langzamerhand. In de diepten der grot worden eenige toortsen ontstoken.
samuel (Zeer breed.) Leer David, dat 't onthulde woord van God als afschijn is van edelsteen, zoo wonderdiep van gloed
gesprongen uit zijn kern; maar toch niet méér is dan 't speelsche vuur van stralend schoon. — D'inwendigheid van Gode's Geest is zichtbaar niet in 't dagelijksch gebeur. En toch in alles leeft Hij
in verborgenis. — Samuel is opgestaan en wijst naar den hemel. David staat in ontroering vlak naast hem.
Zie zoon, bij nacht de starren lichten;
in gouden baan zij cirkelen om d'aard.
Van star tot star verspringt een glinstering,
verschietend naar een trans
in trillende oneindigheid. —
De waereld-schepper, in onmeetbare
veelvuldigheid van al 't geschapene,
ziet d'eenheid dezer wemeling... niet wij.
Door 't maatloos hemelruim,
er breken lichten, vuren, teek'nen,
in glanzen rondgeleid door opperaardschen
geest der cherubins, waar wij niets van beseffen.
— Wij zien in duisternis den hemelhal,
waar, in onstoffelijke schijnsels hangen,
went'len, de starren zonder steun.
Zoo schiep het opperweez' natuurs geheim.
Hij laat de slang, de adder, hun giftkaak
ledig spuwen op adem van een roos.
't Is al verborgenis
ook in het aardsche leven. — Zooals een mensch zijn stof'lijk aangezicht