David (aangedaan.) Mijn Jonathan ... Samuel.
Ook mij eens griefde diep dit Gods-beslnit. Maar zwak'lijk meelij is wel haast het laffe spel van een verlepte ziel. — En dan... in droomgezichten zag ik een andere gestalt', de glorie van héél Israël bevechten. — U David,
zag ik op den troon!
David (in verrukking en schrik.) Verheven Meester... ... mij ?...
Samuel (plechtig knikkend.) In droomgezicht dat God mij schonk.
David.
Maar eed'le Samuel, hoe zal mij Israël den troon nu gunnen ? Voor hen... ik ben slechts zwerver, opstandeling, verjaagde knecht, gevloekt door vorst en onderdaan!
Samuel (streng.) Door God mijn zoon, is Saul en zijn geslacht verworpen. —
david (droomerig en in al verheugder vervoering.)
Ik ... koning over Israël? Ik vorst van héél een juub'lend volk? 0 Heer, té groot is die gena voor een minwaardig knecht als ik ben van Uw Wil. Nu duizel ik ontzet
voor ztilk een glorie! Zal ik dan ééns toch weer de vaalte der woestijn den rug toekeeren en vrij en onbevreesd mijn zingend volk zien? Mijn huis, mijn wijngaard en mijn tuinen?