droom; te ademen, te zingen voor mijn Heer...
een opperste gena! — Toen plots, door afgunstigheid belaagd, werd ik van hoogste steilten afgeslingerd, op steenen bodem van vallei.
Saul stond mij naar het leven! — Een woeste razernij ontsnapt, de bandelooze vlucht door gansch Kanaan, begon. Zóó, in gedacht' verdiept, zonder schaduw van een mensch, vermoeid en uitgeput, van kommernis en jacht, omgreep mij de verlatenheid der scheem'rende woestijn. — (zeer bewogen.) Toen, héviger dan ooit, voeld' ik mij afgescheurd van al 't levende, van grond, van heiligdom en volk, van Michal en mijn Jonathan. Ik smachtte naar hun stem, naar hun gebaar en wezen. Ik voelde mij ook van den Heer verlaten! — En in de stilte der woestijn ontkrampte zich mijn smart in
snikkend schreien. Toen... onverhoed... een witte zwaluw vloog kringen om mijn hoofd, alsof ik wreed haar broed gestolen had. Mij sloeg de schrik. Mijn tranen stolden. Ik riep den Heere aan en vroeg Hem raad, of ik zou toeven blijven. En van het ver gebergt' klonk wonderklaar een zachte choor van stemmen-klank ... ״Vlucht voort uit Keïla! Het volk van Maon en de Zephisten... verraden u bij Saul"! — Toen vluchtte ik hier, naar Engédi. Juist gist'ren mijn gezellen spiedden koning's heir. Saul zélf op 't witte paard, met dwalenden klank van halsband's gouden
schellen, hier dicht nabij. Samuel (ontsteld.)
Hier zóó nabij?
David (knikkend — dan heftig.) Zoo hij 't waagt met zijne bent tot dit