68
haar; dan uitgebluscht in schijn, dan brandend als een ruischend vuur bij nacht, tegen duist're hemelkim. — Hij moordde Nob uit, Achimélech's stad...
samuel (hevig aangedaan.)
Die priestermoord werpt bloedschijn over 't wreede aangezicht van Saul; verkankert zijn gebeent' tot in het weeke merg. —
David,
De nijd der hovelingen en Doeëg's afgunst op mijn daden en mijn roem, had Saul tot bloed'ge driften aangehit. Voor zijne overmacht moest ik weer vluchten naar vijand'lijk grondgebied, waar men mij dwarr'lend lokte in
doodsgevaar dat ik ontkwam. — Toen zwierf ik weer naar Juda heen, verborg mij in spelonk van Adulam, gedoken in haar duist're schachten, als vleermuis in haar vliezen-mantel. In Adulam bracht ik in stilt' tezaam, mijn eerste bent van vrije mannen; woest-ontevredenen, verbitterden van ziel, tot opgejaagde koene zwervers, door bannings-vloek of schuld verdreven — Een bonte aanhang stond als een muur mij om. Ik werd hun overste. Ik drilde heel mijn bent in krijgsmanstucht en wapende mijn mannen sterk, bedreigend met den dood een ieder, die de ving'ren te doopen dorst in bloed van Isrel's kind'ren, zoo deze niet op Saul's wraak-offrend bevel, onz' zielen zochten en noopten tot verweer. — Oproerigheid wil ik vermijden, en tegen Saul's gezag mij nimmer keeren. (met vromen
overgang.)
Wie bouwt het korr'lig graan uit zijne kern op?