zijn daden éérst, ontkiemden in mijn ziel, en groeiden verder in zijn hart. — Het was het kloppen van één pols in
twee verschill'de wezens. (snikt wild uit.) Die rouw nu in mijn ziel, nu hij er niet meer is... Zijn liefde was mij zoeter aan het hart gegroeid dan van een vrouw.
AbicHAEL (hem toetredend.) 't Doet pijn te hooren, en toch begrijp ik u mijn David. — David.
Zoo anders en zoo heilig weer, zijn liefde-vriendschap was; mij n&, als d'adem mijner lippen. — De teerst' en koenste ziel van Israël is nu gestorven. — Wat zijn wij air naast zulk een off'rend man? Slechts ijdelen
van geest en lijf.
(in droeve geestdrift.)
Toch, één geluk bloeit licht in héél deez' donkernis ... Saul is den heldendood gestorven! Al d'uitzin'ge smart en smaad mij aangedaan, zinkt in het niet bij zulk een daad ... Maar Jonathan... zijn zoon ... is naast hem neergestort. Zal ik dan nooit meer zien, dat zachte, klare oog, van liefde volgestroomd? (hij zinkt verslagen weer ineen.)
Abichael.
Mijn held, tóch zult gij krachten zaam'len moeten voor nieuwen strijd, als God u roept!
DAVID (sober: droef-ingehouden schreiend.) Terwijl mijn hart om hém blijft weenen, moet nu mijn geest zich heffen