117
Uitgeput en raadloos eind'lijk, hij stortte zich in éigen zwaard
en stierf den heldendood! — David (ontzet.) Dus Saul heeft dan zichzélf gedood ... is niet geschonden door d'Amalekieten-hand? (tot de twee krijgers die den Amalekiet opbrachten.) Dan heeft dees' ontredderde ziel, de cierselen en kroon van Sauls hoofd en arm geroofd!... Hém treffe het bloedvonnis, mijn krijgers! — (pauze. Dan allersmartelijkst.)
Mijn volk, mijn neergetrapte volk, ik zing uw treurlied en uw wraakzang. (ingezonken
droef.)
De smart heeft mij gebroken ... vertrekt gij alle nu; laat mij alleen. — (Allen af. Alleen Abichaël en David blijven.)
David (zeer zacht, hevig bewogen en met weenende stem sprekend.) Zie Abichal, nu is mijn volk verplet op Gilboa's gebergt', door God's gerechtigheid. — De docht'ren Isrel's zullen weenen en met gescheurde kleederen den weg met rouw bedroeven. — Toch... ééns zal Hij hen wreeken! ... (stilte.) Maar Jonathan is dood... Al moordde ik duizend Filistijnen...
hij keert niet weer. Michal's verlies was mij een bange droefenis ... Maar Jonathan ... hém naakt geen sterveling, (zeer bewogen.) In de grot van Adulam, voor de starende oogen God's, wü sloten een verbond van
eeuw'ge broederschap. Nooit was een zoon zóó zoon, een vriend zóó vriend! — Zijn denken was mijn denken;