119
uit eigen rouw-beklag en smart;
de wil gaan steigeren in bovenmenschelijke
kracht en trooster van mijn volk zijn. —
Want Samuel en Jonathan, zélfs Saul en gij,
mijn vrouw, voorzeiden mü mijn koningschap. —
Wat vreeselijk gebeur, dat mijn verheffing nu,
gepeilerd staat op zulk een rouwl
Wat baat ons menschelijke glorie, als bij
het stijgende geluk, de dood zich aan onz'
voeten knelt? ... Toch . .. God's Wil is 't,
mijn Abichal.
Dat ik nu alle smarten van mij werpl Met een snik telkens worstelt hij zich los uit smart naar vrome onderwerping.
Hoe durf ik met mijn tranen nu, een goddelijk gericht besmetten ? ... 'k Zie Samuel's blik en rill (heel droef.) Nu wankel niet, mijn hart, waar nu de smart is aangenageld. De menschen-pijn moét stillen in zachtmoed'ge onderwerping aan Zijn Wil. Gij Saul, gij vorst, misdeedt gij ooit mij iets?... Uw weggestooten zoon, uw David, kan u als héld alleen gedenken, gesneuveld voor 't gesmade aangezicht
van gansch Isrel. — Uw dóód was gróóter dan uw léven. — (stilte.) Maar gü ... mijn Jonathan ... (tot Abichaël,
weenend.)
Zie Abichal, nu beeft mijn lip, de tranen stikken in mijn stem. Mijn broeder... (valt weer ineen met de handen
voor het gelaat.) Plotseling uit het kamp eenige korte, doordringende krijgs-signalen klinken op. David rukt zich weer los uit zijn smart en slaat over in een droeve vervoering, jubelend en schreiend dooreen. —