ZEVENDE TOONEEL.
Een afgemat krijger, gewond, met gescheurde kleeren, treedt nader i knielt.
DAVID (ontroerd naar hem toe-gebukt.)
Niet ter aarde gebogen, maar hiér, op mün borst, zal uw aangezicht weenen. Broeder, droeve böo, mét u ik schrei, om ons verslagen volk,... om Saul en Jonathan.
Hebreeuwer (stil smartelijk zich opheffend tegen David op.)
We z^jn vernietigd heer. —
Saul viel mét zijne zonen,
door bloed'ge schimp gesmaad,
van Filistijnsche hand. —
Saul viel den helden-dood! —
Tot laatsten snik hij en zijn zoon,
ze streden en verdedigden. —
Toen vielen zij voor d'overmacht.
De vijand kerfde van den romp,
het hoofd van Saul en Jonathan... (hij krimpt ineen.)
En voor den tempelpost van Astaroth,
zü hingen d'afgescheurden kop te
schomm'len. En aan de muren van Beth San,
ze nagelden de verminkte lijken... en
huilden, huilden schimpend er omheen,
in wraak-genot en woede. — David (afwerend.) Zwijg krijger... zwijg! Ik bééf van drift! ... om zulk een smaad. Bij d'Eeuw'ge, Onzen Heer,... ik zal hen wreeken,
o vréés'lijk wreeken! — Hebreeuwer, Het zij zoo David. —
Uw koning Saul vocht tot het laatst en kreunde wild, toen hij zijn Jonathan zag sneuv'len.