115
hem met zijn eigen zwaard. Ik redde kroon en cierselen, en breng ze u
in onderdanigheid. — (de Amalekiet werpt zich ter aarde.)
David.
Wie gaf u ooit het recht,
een Gezalfde des Heer' te vellen?
Amalekiet.
Zijn stemme smeekte er om. David. Hoe vrees'lijk deze dood,
voor zulk een held!.., verminkt door wagens en vertrapt door ruiterbent. — Maar ook gij, Amalekiet, hebt schand-daad toch bedreven. — Mijn krijgers... neemt hem méé I Hém wacht een schrik'lijk vonnis! — Nu wou bij mij bevleien, met deze valsche huid' van cierselen en kroon. —
Krijgers met den Amalekiet af. Daarna de krijgers weer.
David.
O Abichal 1... Een kramp van smart, omwringt mijn hart... Verzinken wil ik in het niet...
ZESDE TOONEEL.
Eenige korte bazuinstooten uit het kamp. — Vier andere manschappen van David komen op. — Eén ervan treedt vóór. —
Krijger (buigt diep.) Een vluchteling van Israël brengt u zijn groet en vraagt te mogen naad'ren. —
david (hevig verrast.) Een Hebreeuwer hier? Doe daad'lijk hem komen!