114
David (hevig ontsteld.)
Saul's kroon? ...
amalekiet (weer onderdrukt jubelend.)
Uw volk is van den Filistijn geslagen. Saul, met eêlste keur ... gesneuveld..
david (hevig ontroerd.) En Jonathan ?... amalekiet (schijnbaar aangedaan.)
Ook Jonathan is neergeveld, twee zijner broeders mede. —
david (in angstwekkende smart-uitbarsting.)
Jonathan... mijn Jonathan ...
... gesneuveld!... Abichael (naar David toegaand.) Nti is uw dag ontwijd.
david (in wanhoop.) De édelste der menschen dood!... (naar den Amalekiet.) Hoe wéét gij al die rampen?
Amalekiet (schuw, nu hij bemerkt dat David zijn tijding als een ramp opneemt.)
Ik stond bij toeval neven Saul. Met stillen doodsangst in het oog de vorst keek om zich heen, zijn speer in de hand. — Rondom, de lijken van zijn zoons en lijfwacht, lagen bloedig overstapeld. — Toen riep hij uit, mij ziend: Ik bid u, dood mij hiér 1...
Zijn oogen smeekten. — Toen stond ik tot hem óp en sloeg