113
David.
Mijn vrouw, wen Michal nu door Saul
was wéggeschonken, — 't gerucht werd
mij gebracht mét Samuel's dood, — ...
mijn droefheid leek tot waanzin aangeprikkeld.
In d'eenzaamheid van Engédi,
eeh milde troosteres gij waart. (plotseling zich onrustig onderbrekend.) Wat laat men mij in vreeze ?...
Abichael.
Mijn David,
ik zie een krijger.
VIJFDE TOONEEL.
Korte bazuinstoot. — Een krijger komt op, nadert David in hoogsten eerbied.
Krijger. Een man van 't slagveld heer, is hier gevlucht. —
David (heftig.) Breng hierl
Een Amalekitisch krijger verschijnt, opgebracht door eemge mannen van David, de kleeren verscheurd. Hij heeft aarde op het hoofd. David naderend, buigt hij zich tegen den grond (strekt de armen uit, met cieraden.)
David (ontsteld.)
Wat zie 'k? ...
Gescheurde kleeren en aarde op 't hoofd? ... Wie z«t gij ?
Amalekiet. (In een onderdrukten vreugdetoon.) Een zoon van vreemden stam, Amalekiet mijn heer. Ik breng u nederig
Saul's cierselen en kroon. —