Nu wordt mij vóór den dood,
God's Wil geopenbaard! — 'k Zal in de keurbent staan met ópgeglansde helm en schild, in 't tartend licht, vóóraan! Opdat de heid'nen zullen zien, hoe Saul, vernietigd, sterven gaat. — Door niets wil ik mij redden uit God's bevel. — Zal ik, na dit ontzaggelijk gericht, weer bangelijk naar het leven kruipen ? Nooit! — Ik kwam als toegezongen held... ik gk... van schreiend volk omringd, signaal-geklank, bazuin nog in de ooren! (pauze.)
(dan, met een hevigen overgang) Dat David koning wordt... nog altijd weer wringt zich een wilde pijn door heel mijn wezen. Ik haat hem nóg, den heet-eerzucht'ge, dien 'k liefheb in mijn haat! Ik heb mijn leven-lang hem alle rust ontnomen. Nu is hij uitgekweld. God schonk hem vrede! — Ik ben verworpene.. . het deert niet meer. Maar dat mijn Jonathan... (snikt; verheft zich plotseling uit zijn snikken óp met volle kracht.) Kom mannen ... óp! Geen menschenkind ontkomt God's Wil!
De tooveres neemt haar lamp en licht Saul, Abner en Amassa voor. Allen af. Het tooneel wordt geheel donker.
VIJFDE TAFEREEL.
VIERDE TOONEEL.
David in zijn woon te Ziklag met Abichaël. Uitzicht op een legerplaats. Abichaël zit; David loopt heen en weer.
David (onrustig tot Abichaël.) Alle rust is mij geroofd. Ik dien God niet om 't loon. Maar nu zou 'k willen smeeken, om één woord van 't leger Saul's.