spreekt. — Dit eischt nu God van mij, van mij...
en ... Jonathan,... als losgeld mijner daden I —
Aan de hoornen van het reukaltaar,
ziet gij dat hloed bestreken, dat offerbloed
door héél ons volk gebracht. —
Die Zijn Geboden overtreedt... hij lijdt,
hij ettert wég. De druif wordt hem een pad,
de granaat een schorpioene in den mond.
Ik, mannen nu, ik ben gericht
door d'ijzeren stem van God! — Amassa (schuchter.)
Mijn Heer en koning, zoo uw knecht het waagt te spreken, het is niet voor zijn heil alleen. Maar als gij Jonathan verbiedt, de legerplaats te betreên, en Saul zélf zijn veldheers-tent
verlaat. ..
Saul kijkt in de grootste verbazing op.
Abner (valt in.) of misschien wel vrede sluit vóór 't man■ gevecht begint,... d&n... door een kant'ling van gebeuren, het booze woord der vrouw wordt krachteloos.
saul (springt óp in groote v eerkrach tigheid.)
Dat nooit! dat nooit!... mijn mannen! Toen ik den troon besteeg, was ik een held voor gansch het volk van Israël. Ik wil nü, bij mijn worsteling en dood, als héld ook voor zijn aangezicht verdwijnen! In afschuw, walg en twijfel, weerspannigheid en menschenhaat heb ik geleefd, met oogen groen als gal van drift, afgunstigheid. Ik had vertrouwen niet in eigen aard. Alles moest mij ingeblazen! Het marm'ren woord van Samuel, 'k heb zijn wankelooze kracht, neen nooit begrepen.
Saul en David. 8