Abichael.
Men zou u boden zenden. David.
Zoo is 't. — [in geluks-vervoering.) Wat zaal'ge vreugd dat ik niet meestreed met Achis, den Filistjjnschen vorst.
Abichael.
Hoe zoudt gj ooit Uw Jonathan bekampen?
David.
Het zou ontzettend zijn geweest! Men vreesde laag verraad van mij in 't Filistijnsche heir. Zoo bleef ik hier, met waap'nen ongemoeid. Zie Abichaël, toen 'k u te Karmel won als vrouw, had 'k pas een martelenden strijd in eigen hart doorleefd. In de grot van Engédi, gij waart mij daar verschenen in jubelend-zachte vrouwen-pracht. Uw mond zong zoete taal, zoo droef van klanken. Uw glimlach en uw zingende stem, mijn aangekoortste ziel verdoofden. Uw minnelijk wezen, ik bond het vast in mijn begeerte en onstuimigheid. — Uw man, die door zijn lompe woord en daad, zoo smadelijk mij had gekrenkt, zwoer 'k met mijne bent te tucht'gen. Gij kwaamt toen vragen om gena,
voor hém en voor uw huis. — Uw liefd' verzachtte al mijn wrok. Ik schaamde mij en keerde weer. Tóch... dagen lang bleef ik uw zoete stem in d'ooren koest'ren. — Toen ging een kwaad gerucht... Uw man, door schrik van wat hem had bedreigd,