Mijn Jonathan zal sneuv'len mét zijn rampzaal'gen vader, die door zijn haat en wraakzucht, door wangunst en door trotsch in héél zijn zieke onvoldaanheid,
door God is néérgeworpen! — Maar Jonathan, Almachtige,... waarmee die schoone held, heeft hij u toch gekrenkt ? ... (pauze.) Sliep ik in nachte-koelte op mijn koepeldak,... hij volgde mij... en waakte. Had 'k vreugd,... hij lachte,
had 'k smart, hij schreide méé! Mijn zoon, mijn zoon, nu God ons van elkander scheurt, nu branderder voel ik nog, hoe lief 'k u heb!
En mét ons héél het volk, in hand' der onbesnedenen! — Dat is het antwoord God's op Achimelech's moord, op d'uitroeiing van Nob, door mij in
hach'lükheid bedreven — Nu ben ik door God's vloek gericht! (ontstuimig
opstaand.)
O Vader, Vader in den hemel, Gü,... Gij alléén kunt zóó den mensch vernederen, (zinkt weer terug.)
Abner.
Nu toch, mijn vorst, de Ziener heeft gesproken, nu kunt gij alles doen om te weerstaan misschien, den boozen geest van deze vrouw. — Saul.
Geen woord van laster hier!... 't Was Samuel, en Samuel alléén die sprak. De grond onder mijn voeten beefde. Ik voelde mij als duif in hoogepriesters slachtende hand, wier vleugels ingescheurd, de krop wordt uitgesneden! Een tocht mij om de polsen kilde. Gij kent de Wet die slechts door bloed verzoent. In 't bloéd alleen, het leven