107
Saul (met een vreeselijken huil, valt kermend neer.)
Te véél... Almachtige God... te véél!... Abner en Amassa, daarna uit haar begoocheling de tooveres, schieten Saul te hulp, torsen hem overeind. Machteloos laat Saul zich naar een zetel sleepen. Hij betast in een wezenlooze verbijstering zijn hoofd, zijn hals, terwijl hij zwaar hijgt en schreit.
SAUL (heel zacht met vreemd-berustende stem.) Den ganschen dag heb ik gevast, uit wanhoop en uit vreeze.
Geef mij nu drinken. — Abner geeft hem een beker drank, door de tooveres
aangereikt. SAUL (in onderworpen smartelijkheid.) Waar is mijn zielskracht nu, waarvan ik sprak tot u? De droefheid heeft mij overmand. Dat woord, dat woord van Samuel... als lijkzang klonk het mij. — Ik word den dood gebracht...
ik en mijn volk. — Wat deert het mij, mij uitgeputte, kranke,... wiens hart is afgeknaagd van wroeging en berouw. Mij zal de dood de oogen koelen ... het donkere gewoel van hartstocht en begeeren, mèt mijne kommer dooven. — (met teederheid.) Maar dat mijn Jonathan, die held, de reinste ziel van Israël, mét mij moet sneuv'len .... (hij huilt krampachtig.) dat nu, is schrik'lijker dan éigen ondergang. O ja, dat wreede, strenge, onbewogen woord, in roerelooze kracht gesproken ...
het was van Samuel! De dreigende klank er in, was aan zijn vleesch en geest ontstegen. —