106
verbrijz'len gaat uwe geleed'ren door Filistynsche macht. — Saul snikt ontzettend en weert iets denkbeeldigs met de handen af.
En geven zal Hij zoenloos u in handen van den vijand. —
SAUL (ineenzinkend, hevig jammerend.)
O Eeuwige mijn Heer, als worgtouw die straf valt om mijn hals, en perst den paarsen dood op mijnen lip. Die smaad aan al mijn volk
voor wat toch ik misdreef! wichelaarster {gaat schijn baar on bewogen door, terwijl Saul nog angstiger luistert.)
Nu Samuel spreekt en zegt: dat. .. (wichelaarster breekt af.)
Saul (bij haar knielend en vlak in de belichte oogen starend.) O schrikkelijk I... uw oogen groeien ... Wat hoort gij? Wichelaarster (aarzelend.) Dat gij... gij .. . en ... (zwijgt weer.)
Saul (gemarteld.) Ziet gij niet vrouw hoe gij mij foltert, met uwe haperende stem ? ... O Eeuwige ... nóg meer ? ... Ik sterf van angst!
Wichelaarster (in strakke staring.) Nu Samuel spreekt en zegt:... dat gij, de vorst, mét Jonathan, uw zoon ... den dag van morgen ... in den slag zult sterven. —