104
SAUL (al kleiner en ellendiger zich krimpend vóór de wichelaarster.) 'k Begryp u niet! Is dat uitzinnig staren dat ontstelde woord erbij, een spel van zwart verbeelden? Het doet mij huiv'renl — Saul, Abner en Amassa blijven ontsteld naar de tooveres kijken. Na een korte stuiptrekking ontstaat er een nog strakkere uitdrukking op haar gezicht.
SAUL (bevreesd, met trillende stem, geheel vernederd door angst en ellende.)
Ziet gij nu Samuel ? ... Mijn borst is ademloos ...
Wichelaarster (met onwezenlijke stem.)
Ik zie een priesterrok,
met stralend' ommeglans.
Een ijlte in de lucht,
Een wazig zilveren. —
Een schim van louter licht
treedt na en wijkt terzij. —
Ik zie, — ontzaggelijk, — een streng gelaat,
met baard als wit van duiveveeren. —
Saul (ontzet.) Mijn ziele beeft, mijn handen sidd'ren... 't Is Samuel!... Wichelaarster. De strenge oogen staren... staren ... Saul.
't Is Samuel!... (hij buigt in ootmoed.)
Ook Abner en Amassa buigen diep.