103
Wichelaarster (staat op, begrijpt traag.)
Als hij nu wil onthullen, onheil en rampspoed, heer?
Saul (snel onderbrekend.) Gij spreke vrij. — (tot zijn bevelhebbers) Ik heb nu Abner en Amassa, aan eigen innerlijke angst mijzelf ontrukt. Ik voel een vreemde kracht mij in de spieren zwellen en rustig mij van binnen, als zeteld' ik bij offermaal. — Als Samuel zal spreken, die vreeselijke man, wiens strenge woorden vallen als zware keien van een vestingmuur op hoofden van belegeraars... als hij zal spreken... zijn knecht zal need'rig luist'ren. — En nti... begin i — De wichelaarster gaat naar haar toovercirkel, slaat met een tak zacht rond zich heen en ademt wierookdamp in. — Ze spreekt klankloos en staart él strakker.
saul (in gretige vervoering vlak naast de tooveres knielend.) Wat ziet gij... vrouw ? Gij staart zoo bangl Wichelaarster. Een weesloosheid mij overzinkt. Ik zie slechts zwarte nevels trillen; ze stijgen en ze dalen... (ze hijgt zwaar.) Saul. En nü?... Wichelaarster. Al vérder gaat het zwart, al dieper zinkt het uit, gelijk een donk're zee. —
Nu golvenschuim mijn lippen raakt... (benauwder.) Ik... kan... nauw... a.. de.. men...