Wichelaarster (met hevigen angst in de stem.)
Ik heb 't gezien, o koning! Gjjzélf zijt Saul! Uw ellendige dienstmaagd heer, werd door uw eigen woord verlokt. Nu zijn uw beulen meegebracht! Genade vorst,... gena! (ze schreit.)
saul (zeer geschrikt.)
Sta óp toch vrouw... ik ben ontzet! Hoe weet gij wie ik ben ? Zeg 't mij! Bij d'Eeuwige onzen God, geen haar zelfs van uw hoofd zal ik u krenken. —
Wichelaarster.
Mjjn tooverspreuk geheimvol all' doorlicht. Onzicht'bre kracht onthulde mij uw wezen. —
Saul (ontzet.)
Wat vreeselijke kunst. Sta óp, bezweerster!
Wichelaarster (blijft liggen.) Ik durf niet, mijn koning, 'k Ben jammerlijk misleid door drang en gulzigheid.
Saul.
Besef dan toch, geheime vrouw, dat ik uw dood niet wil. Zou ik dan zélf gekomen zijn? Gij, die verborgenste gedachten, ópzuigt uit mijn wezen,...
zie nu ook dat! (afgewend in een rilling.) Ik wil door uwe donk're kunst, afzichtelijk en God een gruwel, tegen zonde's kolking in ... den geest van Samuel geraadpleegd zien!