101
Wichelaarster (ontsteld hevig en kijkt raadselachtig naar Saul.)
Israëls profeet?
Saul knikt schuw. Hij dekt zich dieper weg achter zijn mantel. Abner en Amassa komen vlak bij hem staan. De tooveres gaat naar haar kring, neemt plaats en maakt walm in haar kroezen. — In ieder cirkèlvak plengt ze roodachtig vocht om haar heen. Haar gelaat vertrekt in een soort strakke vervoering.
Wichelaarster (op de knieën prevelend met starende Onzicht'bre kracht, oogen.)
neem lijf en wil, en stem en hart, Laat 't zwarte vuur omvlammen mij. — Ik sprenkel 't bloed van dier en mensch dooreen; het bloed, dat is,
het leven zélf, in Israël algeheiligd. —
De plengings-gebaren verslappen; de tooveres valt in een soort van franse.
wichelaarster (met starende oogen, afgebroken sprekend.)
Gij... zijt... geen ... vreem ... deling ...
Saul, verschrikt, slaat zich den mantel geheel voor 't gelaat en nadert de starende tooveres. —
Wichelaarster (alsof ze moeilijk ziet en iets wegvaagt vóór haar blik.)
Ge zijt... ge zijt... ik zie... wat zie ik ?
Plotseling breekt haar transe, springt de tooveres verschrikt op en knielt voor Saul, die in de hoogste verbazing achteruit wijkt. —