wichelaarster.
Mijn angst nog grooter!
saul (wanhopend.)
Bezweerster, vrouw, zoo gij de kracht der innige gedachten legt in uwe daad,... uw angst verdwijnt. —
Wichelaarster (geheimzinnig.)
De afgestorvenen, zij vreezen geur van bloed.
saul (gepijnigd en plots dreigend.)
Nu vrouw, geen aarz'ling meer! 'k Bevéel het u,... ik... abner (toeschietend.) Maar heer I... Bezin 11
amassa (meefluisterend.)
Zoo tast zij naar uw naam en rang, Als 't volk het hoorde, vorst 1
saul (verschrikt.) 't Is waar. (tot de vrouw, smeekend.) Wil 't wagen vrouw, ik smeek u. Véél geld is ü. —
Wichelaarster.
Zou 'k het wagen? Abner (smalend.)
Voor sikkels wil zij wel den bloedgeur sprenkelen, Voor 't schimmen-aangezicht.
Wichelaarster (trotsch.)
Ook üwe Ziéners vangen loon! Saul (plechtig.) Dat is waar. — Nu roep mij óp ... ... den geest... van... Samuel.