99
saul (afgewend.)
Nu klemt mij d'eigen strik en scheurt
met scherpe pijn door mijne pezen. (naar de vrouw.)
Zoo is 't, bezweerster. —
Tóch,... nimmer ü zal
eenig letsel treffen. —
Wichelaarster (schouderophalend en door 't hooge venster turend.)
De wind is uitgeklaagd,
het heil'ge maangelaat in rust.
Ik zie op bergen-vert',
het vuursein vlammen,
't volk Israël's ten teeken,
dat nieuwmaans-feest is aangebroken.
Mijn heer, voorzegging
nu zuiver zijn. —
Saul (gejaagd en gemelijk.)
Die begeer ik nietl
Ik wil... een geestbezwering.
Bedenk wel vrouw,
het loon is hóógl —
Wichelaarster.
Ik waag het niet...
Saul (overredend.)
Vreest gij nog steeds? Wij sterven liever, dan van dees' samenkomst te reppen. —
Wichelaarster (toegenegener.)
Het maakt zoo dood'ljjk moe, misvormt mjjn gansche ziel.
Saul (klemmender.)
Uw loon is gróót I