98
stil gelach, te luist'ren naar mijn stem. Zoo aanstonds krimpt ge licht van wee!
Saul (woest naar de knielende heks.)
Verdwaasde vrouw!... Wat zet u aan
tot zulke taal?
Wichelaarster.
Uw minachting, mijn heer, Waarom sluipt gij, in holste van den nacht naar hier, als gij mij
niet gelooft?
Saul (kort.)
Genoeg! Zjjt gij bereid? Wichelaarster.
Waartoe ? ...
Saul (omzichtig en schuw.) Een doode óp te roepen. Wichelaarster (ontsteld staat op.) Een geest-bezwering, heer? Dat kan, dat mag ik niet!... al loont ge mij met gouden sikkels!
Saul (bevelend.) Het moét!! Wichelaarster (verbaasd en ver• ontwaardigd.) Hoe heer?... Gij waagt mij te bevelen, in 't vrije rijk van Saul? Een bezweerster is geen slavin! Voor woestaard's drillend woord
zij wijkt niet weg. — (pauze.) Dees' heer ... (naar Abner wijzend.) vroeg slechts naar waarvoorzegging. Weet gij dan niet, dat Saul, de vorst, op doodstraffe bezweringen verbood?