96
Neen mannen, neen,... ik blijf! De afgerukte tak van trotsclien ceder is altijd stouter nog dan ginds de stam van wilden vijgeboom. — De oude Saul herleeft weer éénen nacht! Misschien ook langer,... gebeterd ...
door zijn zonden.(/acAf vreemd.) —
DERDE TOONEEL.
Klopper-gebons op de deur. Abner snelt toe en opent. De wichelaarster komt nader, schuw en zeer argwanend naar de vermomde mannen kijkend. Saul bedekt zijn gelaat en trekt Abner naar zich toe.
Saul (half fluisterend.)
Is dat een kol ? ... geen rimpelend gelaat?... Niet krom van lijf, noch oud?
Abner.
Zelfs mooi mijn Heer, maar in 't hart, een valsche week'lijkheid, in dienst van Baai. —
Wichelaarster (voor Saul buigend.)
Vrede zij u!
Wat mag uw dienstmaagd voor u doen?
Saul.
We zijn van ver en hoorden van uw kunst.
Wichelaarster (schrikt.)
Wee mij, zoo men mij noemt.
Dees' heer. .. (op Abner wijzend, die knikt.)
beloofde mij vóór uwe komst
stilzwijgendheid. —