88
wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melan-choliek-geslagene of komisch-beschonkene kerels ; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winter-naakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.
Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op 't schemerend haventje, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuw-grond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheu-ren en zangstemmen.
In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-bran-dende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte 't licht, 't avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods ; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun