87
station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.
Piet had z'n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met 'n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, 'n half-heerig klerkje van de fabriek van ingelegde groenten, 'n Wierelandsch burgertje, dat zich 't liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende 't zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moésten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plots soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dat gebruis, al wilde niemand 't weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon 't Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. lederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in 'n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage öp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.
Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, eiken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Daar, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit