86
— Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.... drie krentebroode of vier varkeslappies !....
Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden ; 'n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast 'm stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang 'n kerel uit hun bende den smakprijs.
De rood-behaarde kerel met z'n verwrongen smal ottergezicht, gilde als 'n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, 'n help-juffer, achter toonbankje, uit d'r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera's, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik. — Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dol-woest gekankaneer van den stoet, die in z'n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En öpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistigverlichte rooksfeer. Bleek als z'n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z'n vrouw, in de lage kamer, naast 'm, groen-grauw van angst, trok 'm telkens aan z'n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in 't geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte....
— Wie mot.... wie blief____ drie kenijne of twee pond
beuling.
V.
Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vér, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden. — Groote molen rechts, naar 't