83
van vale lichttintjes, slangde 't troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stuk-kende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in 't verwarde gegalm,.... liedjes van Driekoningen dat komen ging:
Drie koninge drie koninge
Gaif main 'n nuute hoed
Main oue is f'rslete
Main foè.der maa'g't nie wete
Main moeder hep gain geld
Achter de rooseboom is 't teld....
Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende f eestgezicht en, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor 'n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in 'n leeggeruimde kamer.
Blikjes gingen van hand tot hand als 'n smak over was.
— Wie hepp sain, leste blikkie ?.. .. tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank, — 'n venter 'die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog 'n extratje verdienen wilde. Achter 'm stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in 't wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z'n handen frommelend onder z'n blank schort.
— Nou, is nou daan, la moar beginne, riep 'n ongeduldig bochelig kereltje.
— Nog één blikkie,.... nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z'n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter 't kereltje, grabbelde 'n hand naar 't blikje.